Geld als water

Stel je eens voor, je krijgt een boek in handen. Het heet Onze drinkwatervoorziening.

Op het eerste gezicht een interessant boek. Alles wat je ooit zou willen weten over pompen, leidingen, bassins, kranen, afvoerputjes en riolen staat er in, met veel plaatjes en diagrammen. Maar na wat bladeren krijg je een vreemd gevoel over dit boek. Er blijkt namelijk niets in te staan over waar ons drinkwater vandaan komt. Niets over regen of rivierwater, niets over de processen waarmee water drinkbaar gemaakt wordt. Het is in het boek net of het drinkwater er altijd geweest is en er altijd zal zijn. Zou je dit boek niet als hopeloos tekortschietend aan de kant schuiven?

In de economie is deze idiote situatie echter heel gewoon. Elke dag verdringen economen elkaar op tv en internet om ons voor te lichten over de financiële markten, investeren of bezuinigen, bonussen, kapitaalratio’s, derivaten, hoe allerlei partijen op een verhoging of verlaging van de rente zullen reageren, enzovoort enzovoort. Maar een antwoord op de simpele vraag, waar het geld nou eigenlijk vandaan komt, zul je nooit horen. Gekker nog, die vraag wordt in al die praatprogramma’s niet eens gesteld. Toch is het evident dat discussies over economische kwesties nooit tot de juiste conclusies en oplossingen kunnen leiden, als de aard van ons alomtegenwoordige geldsysteem daar niet in meegenomen wordt.

Het Tros-programma Radar Extra ‘De Schuldvraag’ zal in één klap een eind maken aan de onwetendheid van het publiek (inclusief menig econoom) over het geldsysteem. Het zal op tv in twee delen worden uitgezonden, namelijk op 23 en 30 december. Op 17 december is het programma al volledig te bekijken op internet.

Er is een trailer, waarin onder andere Herman Wijffels, Dirk Bezemer en Ewald Engelen al stevige uitspraken doen. (Het is me helaas nog niet gelukt de trailer rechtstreeks in dit bericht te plaatsen. De embed-code werkt niet.)

RE-wijffels-gelddoorschuld

Advertenties

Geld is vergif

Scène 1

Schipbreukelingen in een sloep… Overal water om hen heen, maar ze vergaan van de dorst. Als een van de ongelukkigen, half gek van de dorst, toch zeewater wil gaan drinken houden de anderen hem tegen. Want zout water drinken is het begin van het einde. Hoe erg je dorst ook is, drink nóóit, maar dan ook nóóit zeewater. Dat weet toch iedereen?

Scène 2

We verplaatsen de camera naar het schip van de moderne wereldeconomie. De opvarenden hebben dorst, ze schreeuwen om geld. Enkelen schijnen een onuitputtelijke voorraad geld bij zich te hebben. Die delen ze links en rechts uit onder de smachtende massa, onder de voorwaarde dat iedereen méér terug moet geven dan hij gekregen heeft. Wie zijn schuld niet kan betalen, moet zijn horloge, zijn kleren, ja alles wat hij heeft afstaan. Mensen gaan elkaar te lijf om een druppeltje geld te bemachtigen. De dorst wordt steeds erger, het geschreeuw wordt steeds luider en wanhopiger… Maar het is hun eigen schuld. Hoe erg je gelddorst ook is, drink nóóit, maar dan ook nóóit geld waar je alleen maar meer dorst van krijgt. Dat weet toch iedereen?

Koordgeld

Toen de wereld nog zo klein niet was, kwam ik op mijn reizen door het piepkleine land Cuerdalia. Ik had me hier niet op voorbereid en wist niets van het land. Gelukkig sprak iedereen er goed Spaans. Het bleek een prettig land te zijn, met vriendelijke mensen die hielden van de goede kanten van het leven, en uiteindelijk ben ik er anderhalf jaar gebleven.

Op mijn eerste dag in Cuerdalia deed ik in een klein dorpswinkeltje wat boodschappen. Ik sloeg onder andere een flink stuk van een heerlijk ruikende koek in.
‘Dat is dan dertien centimeter rood’, zei de winkelier, toen ik de boodschappen op de toonbank gelegd had.
‘Pardon?’
‘Dertien centimeter rood alstublieft’, zei de winkelier nogmaals.
Ik legde een briefje van tien dollar op de toonbank. Dat moest genoeg zijn. ‘Kunt u dat omrekenen met dit geld?’, vroeg ik. Hij pakte het briefje tussen duim en wijsvinger op en keek er even naar.
‘Nee, daar kan ik niks mee’, zei hij. Vervolgens zette hij een haspel op de toonbank, waarop een lang koord gewikkeld zat. Het was op het eerste gezicht rood met wat andere kleuren er doorheen. De winkelier trok de haspel een eindje af en gaf mij het uiteinde. Ik tuurde naar het koord en haalde toen zelfs mijn vergrootglas voor de dag. Het bleek op een ingewikkelde manier te zijn samengesteld uit vezels in allerlei kleuren. Sommige vezels hadden regelmatige verdikkingen van zichzelf, in andere waren op zo op het oog onregelmatige afstanden verschillende soorten knoopjes gelegd. Soms liepen een paar vezeldraden door een knoopje in weer een andere draad heen. Dit koord was zonder twijfel razend moeilijk om te maken. Plotseling drong het tot me door. ‘Is dit uw geld?’, vroeg ik verbaasd. ‘Wilt u mij daar wat meer over vertellen alstublieft?’ De winkelier stak van wal, duidelijk trots op zijn kennis.

‘Dit is inderdaad ons landsgeld. Alle vezels in dit koordgeld komen van speciaal verbouwde planten, die alleen hier groeien. Deze planten groeien heel langzaam, en de opbrengst van de planten is laag. Een paar families in ons land hebben zich toegelegd op het maken van dit geld. Ze verbouwen de planten en fabriceren het koord. We noemen ze dan ook de koordfamilies.’

‘Is het geld niet te vervalsen?’
‘Zoals alle soorten geld heeft ook dit geld speciale kenmerken. Sommige daarvan zijn met het blote oog te zien, voor andere is een sterk vergrootglas, een microscoop of een chemische analyse nodig. We hebben een aantal technische universiteiten laten proberen om de productie te mechaniseren, maar alle pogingen zijn op niets uitgelopen. Het is en blijft handwerk.’

‘Maar die koordfamilies kunnen dus net zoveel geld maken als ze willen?’
‘Dat heeft geen enkele zin. Het proces is heel tijdrovend en vergt bovendien nogal wat land. Stel nu eens dat veel meer families koordgeld gingen maken. Dan bleef er te weinig land over voor landbouw, en natuurlijk zijn er in de rest van de economie ook veel mensen nodig. Ik noem het nu even de rest van de economie, maar het is natuurlijk het belangrijke deel van de economie, waar de nuttige producten en diensten geproduceerd worden. Als je die niet hebt, heeft geld maken ook geen zin.’
Ik bedacht dat deze aangename samenleving snel ontwricht zou worden als het koordgeld ook in de buitenwereld gebruikt zou kunnen worden.
‘Onze samenleving heeft het juiste evenwicht gevonden’, ging de winkelier verder. ‘Het maken van dit geld is geschoold werk, een echt ambacht waar deze families van generatie op generatie hun brood mee verdienen. Zij geven het geld als eerste uit. De koordfamilies staan bovendien in hoog aanzien. Zij zorgen er voor dat er genoeg geld is, maar ook niet te veel want daarmee zouden zij zichzelf in de vingers snijden.’

‘Is er alleen dit soort koord?’
‘We hebben een paar soorten koord. De rode variant die u hier ziet wordt gebruik voor kleine bedragen zoals bij dagelijkse boodschappen. Er zijn ook groene en blauwe soorten, voor grotere bedragen.’

‘Blijven er in het dagelijks handelsverkeer niet alleen maar hele korte stukjes over?’
‘We gebruiken vooral stukjes met een standaardlengte, bijvoorbeeld tien en twintig centimeter. Die worden niet versneden. Met nog kortere stukjes als wisselgeld kun je alle bedragen afrekenen.’

‘Maar waarom heeft u dan hier een haspel met vele meters koord er op?’
‘Lange stukken worden gebruikt om er fraaie traditionele knoopwerken van te maken, of om door kleding heen te vlechten. Want ook hier hebben mensen statussymbolen nodig. Wie korte stukjes bij elkaar spaart kan ze hier omruilen voor een lang stuk, en zo krijg ik weer wisselgeld. Vanmiddag komt hier een bruidsstoet langs. De bruid komt uit een rijke familie, dus let u dan vooral op de bruidsjurk!’

Ik vertelde de winkelier dat ik van plan was minstens een maand in dit interessante en prettige land te blijven, en gelukkig wilde hij me de boodschappen voorschieten. We zouden elkaar nog vaak zien.

De Pekouneia

Een Griekse tragedie in één bedrijf

BANKIER: Goedemiddag meneer Deklos!
GRIEK: Dag meneer. Mag ik gaan zitten? Ik heb al twee nachten niet geslapen van de zorgen.
B: Nee, blijft u maar staan. We willen niet dat u in mijn stoel in slaap valt, hè? Haha! Wat kan ik voor u doen?
G: Ik wil graag mijn lopende lening verlengen.
B: Kunt u die lening niet terugbetalen dan? Hoe komt dat?
G: Mijn klanten hebben geen geld, dus verkoop ik ook bijna niets meer. Wat ik overhoud gaat op aan uw rente. Aan mijn olijven ligt het niet, dat zal ik u laten zien. Anna, kom maar!

Een meisje van een jaar of twintig komt binnen en biedt de bankier een schaaltje olijven aan.

BANKIER: Is dat uw dochter? Zozo… Die olijven zijn inderdaad heerlijk! Tja, er is de laatste tijd nou eenmaal weinig geld in omloop. Heel betreurenswaardig. Maar laten we zaken doen. U begrijpt wel dat uw kredietwaardigheid er zo niet op vooruit gaat, hè? Daarom zal ik het rentepercentage moeten verhogen tot vijftien procent.
GRIEK: Maar dat kan ik niet betalen!
B: Dat had u nou niet moeten zeggen. Ik schat mijn risico nu nog hoger in en ben helaas gedwongen om het rentepercentage verder te verhogen tot achttien procent.
G: Maar… maar…
B: Twintig procent…
G: (zwijgt)
B: Zo ken ik u weer! Een echte ondernemer gaat niet pruttelen bij wat tegenslag! Omdat het risico dat u niet kunt betalen nu zo goed als honderd procent is, stel ik voor dat u uw olijfboomgaard in onderpand geeft.
G: Nee, dat nooit! Die boomgaard is door mijn overgrootvader aangeplant!
B: Tja… Weet u, ik mag u wel, u bent een eerlijk ondernemer, net als ik. En daarom doe ik u een aanbod dat u niet kunt weigeren. U mag uw boomgaard houden. Maar dan stuurt u wel elke dag om half acht uw dochter naar mijn huis om mijn zoon gezelschap te houden. Hij hangt thuis maar wat rond sinds hij van de universiteit getr… Enfin, dat gaat u niets aan. Wat zegt u ervan?
G: (slikt) Mijn Anna… (peinst) Ik begrijp u niet, meneer. U kunt in de stad veel goedkoper vertier voor uw zoon vinden. Als ik het zou doen schiet u er uiteindelijk toch veel geld bij in.
B: Welnee, meneer Deklos, dacht u dat? Haha! Ziet u, de burgemeester wil volgend jaar een nieuw huis op de heuvel bouwen. Het zou erg vervelend voor hem zijn als ik hem dan geen goedkope hypotheek kon verstrekken. Daarom wordt er uit de gemeentebelastingen al jaren een bedragje apart gezet, voor als mijn bank lastige tijden doormaakt. Mijn inkomsten zijn voorbeschikt, meneer Deklos. En zo hoort het ook in een Griekse tragedie! Haha!

Doek

Scenario ‘De geest is uit de fles’

Twee weken na het injecteren van een buitengewoon geestig en besmettelijk filmpje in de sociale netwerken loopt er geen jongere meer rond die niet weet hoe de vork in de steel zit met het geld en de banken. Ook het online deel van de rest van de bevolking raakt spoedig besmet.

De verontwaardiging is groot, maar ook komt er een ongelofelijke hoeveelheid creativiteit en energie vrij. Iedereen ziet kansen, vooral in de duurzame sector. In een ommezien worden er apps voor iPhone en Blackberry e.d. ontwikkeld, en diverse kits om lokale munten en alternatieve projectfinanciering op te zetten. Cyclos is niet aan te slepen.

Er ontstaan, naast veel lokale munten, een aantal snel groeiende maar gesloten circuits met geld op basis van:

  • persoonlijke reputatie (bv. à la WAT en iWAT). Bekende Nederlanders halen een kick uit het uitgeven van hun eigen exclusieve geld. Dat hadden ze nog niet. Omdat alle transacties met sommige van deze geldsoorten openbaar opgeslagen worden ontstaat voor de betrokken BN’ers het recht – en de morele plicht – om een uitgegeven eenheid nietig te verklaren als er ‘vuile’ transacties mee gepleegd zijn. Een nieuwe kant aan reputatiebeheer, uitgebuit in veelbekeken reality shows.
  • keurmerken als FSC, MSC, Fairtrade, etc. Goed ketenbeheer bepaalt de toegang tot deze geldsoorten.
  • duurzame producten. Zo geeft Greenchoice de Greenvolt uit, gedekt met groene stroom.

Een en ander vermindert de behoefte aan kort en lang kapitaal in euro’s drastisch.

Winkeldeuren worden behangen met ‘Wij accepteren XYZ’-stickers. Wie nog honderd procent met euro wil betalen of betaald wil worden, wordt vies aangekeken, zo niet geboycot. De leus is We don’t play your game anymore!

Groene investeerders gaan Fomento spelen, d.w.z. ze verstrekken (micro)kredieten die verplicht in diverse, inmiddels gevestigde, groene munten terugbetaald moeten worden. Daardoor worden die munten nog sterker.

Uiteindelijk wordt zelfs de politiek wakker. Het depositogarantiestelsel wordt uitgebreid: het plafond gaat 25 % omhoog maar 50 % van de tegoeden wordt uitsluitend gegarandeerd in belastingcertificaten (waardepapieren waarmee nationale belastingen betaald kunnen worden). Mokkend gaan de banken hiermee akkoord. Onverwacht bijeffect: mensen voelen zich niet meer schuldig als ze massaal hun tegoeden verkassen naar Triodos (een secundaire dus niet-geld-scheppende bank).

De politiek: scheids of speler in het veld?

basislogoDe politiek ziet zichzelf het liefst als maatschappelijke scheidsrechter, en de politici van de verschillende partijen bakkeleien veel en graag over de mate en mogelijke partijdigheid van ingrijpen in het spelverloop. Maar de economische crisis heeft de politiek in de rol van speler in het veld gedwongen. Door middel van bezuinigingen pakt de politiek de bal af van de andere spelers, omdat ze de bal zelf nodig heeft. Het kabinet doet dit onder de vlag van ‘terugtredende overheid’, maar is dit niet een heel vreemde logica? Zou niet juist een terugtredende overheid in de eerste plaats moeten zorgen voor een bal in het veld, in de vorm van voldoende geld in de economie, zodat burgers, bedrijven en maatschappelijke instanties het economische spel met elkaar kunnen spelen? Dit zou pas echt recht doen aan het beeld van de politiek als scheidsrechter!  Maar omwille van ‘het huishoudboekje’ van de scheids wordt nu de bal uit het veld gehaald, en de spelers hebben het nakijken.

Of toch niet? Wereldwijd wordt druk geëxperimenteerd met complementaire betaalmiddelen: lokale geldsoorten die doorgaans in een bepaalde regio blijven circuleren, domweg omdat ze buiten die regio nergens geaccepteerd worden. Of, van de andere kant bekeken: als je voor lokale betalingen zo veel mogelijk een eigen munt gebruikt heb je veel minder last van bezuinigingen in het eurocircuit. In Nederland lopen we op dit punt flink achter, maar dan is er ruimte voor een inhaalslag, nietwaar?

Een vruchtbaar tweesporenbeleid is de oplossing:

  • in euro’s bezuinigen omwille van ‘het huishoudboekje’
  • bij de bevolking de afhankelijkheid van de beschikbaarheid van euro’s sterk verminderen, door experimenten met complementaire betaalmiddelen te stimuleren.

Om in de voetbalmetafoor te blijven: als de scheids de officiële bal afpakt moet hij niet moeilijk doen als de spelers een varkensblaas in het veld brengen. De politiek kan er dan in euro’s fijn op los blijven bezuinigen, terwijl het maatschappelijk leven daar veel minder onder te lijden heeft, omdat in allerlei circuits andere betaalmiddelen gebruikt gaan worden.

Vandalistisch manifest

Gegroet gij allen!

Wij, ondergetekenden, vinden dat de aanhangers van het vandalisme nu eindelijk eens serieus genomen moeten worden. Het vandalisme is een oprechte economische beweging en dient ook zo behandeld te worden.

Vandalisten hebben van oudsher echter een slechte naam. Volkomen ten onrechte, zoals wij zullen aantonen met het zo vaak tegen ons gebruikte voorbeeld van het bushokje. Een nog niet vernield bushokje is immers een dood bushokje, een blok aan het been van de economie. De lassers, glazeniers en schilders trekken verder naar nieuwe omzetten en laten het bushokje achter als een economisch stukje woestijn. Wat ligt meer voor de hand dan het bushokje te re-cyclen? Van deze re-cyclus nemen wij vandalisten de ene helft voor onze rekening, en de al genoemde lassers, glazeniers en schilders de andere helft. En alleen zó kan het rad der economie eeuwig blijven wentelen. Waarom dan toch al die negatieve publiciteit en die povere arbeidsomstandigheden?

De aanhangers van onze beweging doorzien de cyclische aard der economie en hebben daaruit de voor zichzelf zo bittere conclusies getrokken. Uit liefde voor onze economie doen zij, vaak bij nacht en ontij, hun gevaarlijke werk, maar verguizing en celstraffen zijn hun deel. Aan deze onmenselijke toestanden moet nu maar eens een eind komen! Wij willen thans subsidie aanvragen om het nog niet verlichte deel der natie economisch te scholen, zodat de aanhangers van het vandalisme eindelijk in alle openbaarheid fatsoenlijk voor hun economisch zo nuttige activiteiten beloond kunnen worden.

Namens de Stichting Eerherstel Vandalisten:

W. den Hamer, voorzitter
mej. K. Rassen, secretaris
drs. A. Kleyngelt, penningmeester