Maandelijks archief: november 2013

Geld is vergif

Scène 1

Schipbreukelingen in een sloep… Overal water om hen heen, maar ze vergaan van de dorst. Als een van de ongelukkigen, half gek van de dorst, toch zeewater wil gaan drinken houden de anderen hem tegen. Want zout water drinken is het begin van het einde. Hoe erg je dorst ook is, drink nóóit, maar dan ook nóóit zeewater. Dat weet toch iedereen?

Scène 2

We verplaatsen de camera naar het schip van de moderne wereldeconomie. De opvarenden hebben dorst, ze schreeuwen om geld. Enkelen schijnen een onuitputtelijke voorraad geld bij zich te hebben. Die delen ze links en rechts uit onder de smachtende massa, onder de voorwaarde dat iedereen méér terug moet geven dan hij gekregen heeft. Wie zijn schuld niet kan betalen, moet zijn horloge, zijn kleren, ja alles wat hij heeft afstaan. Mensen gaan elkaar te lijf om een druppeltje geld te bemachtigen. De dorst wordt steeds erger, het geschreeuw wordt steeds luider en wanhopiger… Maar het is hun eigen schuld. Hoe erg je gelddorst ook is, drink nóóit, maar dan ook nóóit geld waar je alleen maar meer dorst van krijgt. Dat weet toch iedereen?

Koordgeld

Toen de wereld nog zo klein niet was, kwam ik op mijn reizen door het piepkleine land Cuerdalia. Ik had me hier niet op voorbereid en wist niets van het land. Gelukkig sprak iedereen er goed Spaans. Het bleek een prettig land te zijn, met vriendelijke mensen die hielden van de goede kanten van het leven, en uiteindelijk ben ik er anderhalf jaar gebleven.

Op mijn eerste dag in Cuerdalia deed ik in een klein dorpswinkeltje wat boodschappen. Ik sloeg onder andere een flink stuk van een heerlijk ruikende koek in.
‘Dat is dan dertien centimeter rood’, zei de winkelier, toen ik de boodschappen op de toonbank gelegd had.
‘Pardon?’
‘Dertien centimeter rood alstublieft’, zei de winkelier nogmaals.
Ik legde een briefje van tien dollar op de toonbank. Dat moest genoeg zijn. ‘Kunt u dat omrekenen met dit geld?’, vroeg ik. Hij pakte het briefje tussen duim en wijsvinger op en keek er even naar.
‘Nee, daar kan ik niks mee’, zei hij. Vervolgens zette hij een haspel op de toonbank, waarop een lang koord gewikkeld zat. Het was op het eerste gezicht rood met wat andere kleuren er doorheen. De winkelier trok de haspel een eindje af en gaf mij het uiteinde. Ik tuurde naar het koord en haalde toen zelfs mijn vergrootglas voor de dag. Het bleek op een ingewikkelde manier te zijn samengesteld uit vezels in allerlei kleuren. Sommige vezels hadden regelmatige verdikkingen van zichzelf, in andere waren op zo op het oog onregelmatige afstanden verschillende soorten knoopjes gelegd. Soms liepen een paar vezeldraden door een knoopje in weer een andere draad heen. Dit koord was zonder twijfel razend moeilijk om te maken. Plotseling drong het tot me door. ‘Is dit uw geld?’, vroeg ik verbaasd. ‘Wilt u mij daar wat meer over vertellen alstublieft?’ De winkelier stak van wal, duidelijk trots op zijn kennis.

‘Dit is inderdaad ons landsgeld. Alle vezels in dit koordgeld komen van speciaal verbouwde planten, die alleen hier groeien. Deze planten groeien heel langzaam, en de opbrengst van de planten is laag. Een paar families in ons land hebben zich toegelegd op het maken van dit geld. Ze verbouwen de planten en fabriceren het koord. We noemen ze dan ook de koordfamilies.’

‘Is het geld niet te vervalsen?’
‘Zoals alle soorten geld heeft ook dit geld speciale kenmerken. Sommige daarvan zijn met het blote oog te zien, voor andere is een sterk vergrootglas, een microscoop of een chemische analyse nodig. We hebben een aantal technische universiteiten laten proberen om de productie te mechaniseren, maar alle pogingen zijn op niets uitgelopen. Het is en blijft handwerk.’

‘Maar die koordfamilies kunnen dus net zoveel geld maken als ze willen?’
‘Dat heeft geen enkele zin. Het proces is heel tijdrovend en vergt bovendien nogal wat land. Stel nu eens dat veel meer families koordgeld gingen maken. Dan bleef er te weinig land over voor landbouw, en natuurlijk zijn er in de rest van de economie ook veel mensen nodig. Ik noem het nu even de rest van de economie, maar het is natuurlijk het belangrijke deel van de economie, waar de nuttige producten en diensten geproduceerd worden. Als je die niet hebt, heeft geld maken ook geen zin.’
Ik bedacht dat deze aangename samenleving snel ontwricht zou worden als het koordgeld ook in de buitenwereld gebruikt zou kunnen worden.
‘Onze samenleving heeft het juiste evenwicht gevonden’, ging de winkelier verder. ‘Het maken van dit geld is geschoold werk, een echt ambacht waar deze families van generatie op generatie hun brood mee verdienen. Zij geven het geld als eerste uit. De koordfamilies staan bovendien in hoog aanzien. Zij zorgen er voor dat er genoeg geld is, maar ook niet te veel want daarmee zouden zij zichzelf in de vingers snijden.’

‘Is er alleen dit soort koord?’
‘We hebben een paar soorten koord. De rode variant die u hier ziet wordt gebruik voor kleine bedragen zoals bij dagelijkse boodschappen. Er zijn ook groene en blauwe soorten, voor grotere bedragen.’

‘Blijven er in het dagelijks handelsverkeer niet alleen maar hele korte stukjes over?’
‘We gebruiken vooral stukjes met een standaardlengte, bijvoorbeeld tien en twintig centimeter. Die worden niet versneden. Met nog kortere stukjes als wisselgeld kun je alle bedragen afrekenen.’

‘Maar waarom heeft u dan hier een haspel met vele meters koord er op?’
‘Lange stukken worden gebruikt om er fraaie traditionele knoopwerken van te maken, of om door kleding heen te vlechten. Want ook hier hebben mensen statussymbolen nodig. Wie korte stukjes bij elkaar spaart kan ze hier omruilen voor een lang stuk, en zo krijg ik weer wisselgeld. Vanmiddag komt hier een bruidsstoet langs. De bruid komt uit een rijke familie, dus let u dan vooral op de bruidsjurk!’

Ik vertelde de winkelier dat ik van plan was minstens een maand in dit interessante en prettige land te blijven, en gelukkig wilde hij me de boodschappen voorschieten. We zouden elkaar nog vaak zien.